Factsheet toestand en ecologische sleutelfactoren (DIPS)

Hoofdlijnen

Beschrijving van het gebied en watersysteem op hoofdlijnen

De Amstellandboezem is een watersysteem van onderling verbonden rivieren en waterlopen die in verbinding staan met het Amsterdam-Rijnkanaal en de Noordzee. Het gaat om de Amstel, Kromme Mijdrecht, het zuidelijk deel van de Heinoomsvaart, Groote Heicop, Bijleveld, de Aa, Angstel, Bullewijk, Winkel, Waver, Oude Waver, Holendrecht, het Gein, Gaasp, de Weespertrekvaart, De Diem en de grachten en vaarten van Amsterdam. Vaarten Amsterdam vormen een apart KRW-waterlichaam. De Amstellandboezem ligt hoger in het landschap dan de polders, die door inklinking van de veenbodem zijn gedaald. Langs de boezemwateren liggen aan weerszijden dijken, om de polders te beschermen tegen overstroming. De boezem voert overtollig water uit de polders af (door middel van bemaling) naar (uiteindelijk) de Noordzee en bij watertekort kan het waterschap water uit de boezem inlaten in de polders.
Amstellandboezem (NL11_1_1) heeft watertype “grote ondiepe kanalen met scheepvaart” (M6b) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 519 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
2000-EAG-2 (Boezem Amstelland-West, Noord-West), 2000-EAG-3 (Boezem Amstelland-West, Noord-Oost), 2000-EAG-4 (Boezem Amstelland-West, Oost), 2000-EAG-5 (Boezem Amstelland-West, Midden), 2000-EAG-6 (Boezem Amstelland-West, West), 2000-EAG-7 (Boezem Amstelland-West, Zuid), 2000-EAG-1 (Boezem Amstelland-West, Noord)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland en gemeente(n) Amstelveen, Amsterdam, De Ronde Venen, Diemen, Nieuwkoop, Ouder-Amstel, Stichtse Vecht, Uithoorn en Woerden. Het waterlichaam Amstellandboezem heeft de status KRW waterlichaam en zwemwaterlocatie en is in eigendom van Provincie Noord-Holland, Provincie Utrecht, Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.

Ligging en beeld

Het ecosysteem ziet eruit als onderstaand beeld

Ligging waterlichaam

Ligging deelgebieden

Toestand

Ecologische analyse op hoofdlijnen

De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Grote ondiepe kanalen met scheepvaart (M6b), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen.

De huidige toestand vergeleken met de doelen –ontoereikend
De toestand in Amstellandboezem (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is ontoereikend. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Ov. waterflora. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Abundantie groeivormen macrofyten. De slechts scorende indicator van deze deelmaatlat is Soortensamenstelling macrofyten Waterplanten. In de westelijke takken, in het zuiden en het noorden (tot aan Amsterdam) is de algenconcentratie te hoog. Dit geldt ook voor de Bullewijk, waar de algenconcentratie hoger is onder invloed van de Ronde hoep en de Holendrechter- en Bullewijkerpolder. In delen van de Amstellandboezem komen echter wel waterplanten voor. Vooral de oostelijke takken van Angstel en Gein, Gaasp, de Diemer- en Weespertrekvaart voldoen al redelijk aan de verwachtingen voor waterkwaliteit en waterplanten. De vegetatie is echter zeer soortenarm en bestaat voornamelijk uit gele plomp. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont een negatieve trend (-0.1 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Waterflora vertoont geen trend. De score op de maatlat Macrofauna vertoont geen trend. De score op de maatlat Vis vertoont geen trend. Chloride gaat achteruit door toenemende concentraties en doorzicht gaat vooruit in de laatste planperiode (2020 tov 2015).

Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van deze matige kwaliteit zijn diverse (polder)lozingen en RWZIs die voedselrijk water met veel fosfor lozen in de Amstellandboezem. Daarnaast is er in de waterlopen langs de oevers maar een gering begroeibaar areaal aanwezig (met name de Amstel) en dit areaal staat onder druk door overkluizingen (steigers), golfslag en opwerveling van bodemdeeltjes.

Maatregelen op hoofdlijnen
De maatregelen zijn gericht op verminderen van de belasting met fosfor en andere stoffen, bijvoorbeeld door het omleiden van waterstromen en het aanleggen van een waterkwaliteitsscherm in de Geer. Dit scherm zorgt ervoor dat licht brak en voedselrijk water niet meer vanaf de Amstel naar het zuidelijk deel van de Amstellandboezem en de Vinkeveense Plassen kan stromen. Hierdoor verbetert ook de waterkwaliteit in de omliggende polders en KRW-waterlichamen omdat daar dan water van betere kwaliteit wordt ingelaten. Ook het reduceren van emissies vanuit de glastuinbouw, agrarische polders en de rioolwaterzuiveringsinstallatie Amstelveen zal de waterkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn er maatregelen gericht op de inrichting van de oevers (natuurvriendelijk, vaarluwe zones) en tegengaan van vraat. Ook lokale maatregelen kunnen op een relatief groot gebied effect hebben, maar zijn niet altijd zichtbaar in de ecologische toestand en het doel van het waterlichaam zelf. Dit komt omdat het waterlichaam een zeer groot oppervlak heeft en maatregelen in de Amstellandboezem ook effect hebben op de ecologische toestand van omliggende watersystemen (Vaarten Amsterdam en aangrenzende polders).

Toestand

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Ecologische sleutelfactoren

Ecologische sleutelfactoren

esficon Productiviteit water vormt een probleem. Het waterlichaam vertoont een wisselend beeld voor wat betreft ‘productiviteit water’. In de westelijke takken, in het zuiden en het noorden (tot aan Amsterdam) is de algenconcentratie te hoog. Dit geldt ook voor de Bullewijk, waar de algenconcentratie hoger is onder invloed van de Ronde hoep en de Holendrechter- en Bullewijkerpolder. In perioden van licht wisselvallig, alledaags weer wordt er vooral water uit de polders naar de boezem toe gemalen. Als gevolg daarvan staat het water niet lang stil. Hierdoor is er een klein risico op veel algen in het water die de soortenrijkdom van vegetatie en fauna in het water en de waterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. Het gevolg is wel dat als een periode van licht wisselvallig weer verandert in een droge periode, de waterkwaliteit snel kan verslechteren. Er zijn delen in de boezem waar het water in droge tijden nagenoeg stil staat, bijvoorbeeld in het Amstel-Drechtkanaal tussen Uithoorn en de Tolhuissluis. Door uitslagwater van de gemalen van de Zuiderlegmeerpolder en Uithoornse Polder, die door de aanwezigheid van kassen veel nutriënten en bestrijdingsmiddelen bevatten, kunnen in dit voedselrijke en relatief stilstaande water makkelijk algen gaan groeien. Door de watervraag uit polders in de omgeving stroomt dit voedsel- en algenrijke water langzaam de polders in. Dit fenomeen vormt met name een probleem in de zuidelijke Amstellandboezem. Wanneer het water in de boezem door neerslag weer in beweging komt, komen de algen uiteindelijk verder op de Amstel en zorgen daar voor een verslechterende waterkwaliteit. Naast de polders hebben ook rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) een grote invloed op de waterkwaliteit in de boezem, met name in droge perioden. In het effluent van de RWZI’s zitten veel voedingsstoffen. Op plaatsen waar het boezemwater in droge perioden nauwelijks stroomt, met name bij Amstelveen, blijft dit voedselrijke water lang hangen. Algen en blauwalgen gedijen goed in dit water. Over de toekomst van de Rioolwaterzuivering Amstelveen loopt op dit moment (najaar 2018) een uitgebreide studie.
esficon Lichtklimaat vormt een probleem voor de groei van waterplanten omdat er minder dan 4% licht valt op 1 meter waterdiepte (er valt dus onvoldoende licht op de bodem van een deel van het begroeibaar areaal). Scheepvaart vormt een probleem bij de opwerveling van bodemmateriaal.
esficon Productiviteit bodem vormt een probleem omdat de bodem waarschijnlijk voedselrijk en toxisch is, vanwege grote bronnen van nutriënten en zwavel.
esficon Habitatgeschiktheid vormt een probleem. Er is een gering begroeibaar areaal aanwezig in de Amstel langs de oevers en dit areaal staat onder druk staat door overkluizingen (steigers), golfslag en opwerveling van bodemdeeltjes. Ook dijkverbeteringen hebben soms een negatieve impact op de habitatgeschiktheid, omdat bestaande vegetatie wordt verwijderd.
esficon Verspreiding vormt geen probleem. De doelsoorten zijn in de omgeving aanwezig en kunnen er ook komen.
esficon Verwijdering vormt een probleem omdat vraat door ganzen een mogelijk knelpunt vormt voor de ontwikkeling van oevervegetatie. Ook is er mogelijk invloed van rivierkreeften.
esficon Organische belasting vormt een probleem, onder andere door bomen langs het water of doordat mensen snoeiafval dumpen in de oevers.
esficon Toxiciteit vormt een probleem. Nabij het glastuinbouwgebied wordt een hoge toxische druk door gewasbeschermingsmiddelen gemeten en deze resulteert lokaal in een hoge SIMONI score > 1 (dit geeft aan dat er een risico wordt verwacht als gevolg van de aanwezigheid van te hoge concentraties microverontreinigingen).

Bron

Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en Achtergrondrapport boezemplan (2018).

Maatregelen (R)

SGBP 1 en 2 maatregelen die (deels) zijn uitgevoerd

SGBP 1 en 2 maatregelen in planvorming

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn gefaseerd

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn ingetrokken of vervangen

Nieuwe maatregelen voor SGBP3 tov totaal aantal maatregelen

Maatregelen

ESFoordeel SGBPPeriode Naam Toelichting BeoogdInitiatiefnemer UitvoeringIn
esficon SGBP3 2021-2027 Amoveren / verbeteren zuivering Amstelveen Verminderen belasting met nutriënten uit de RWZI Amstelveen. Dit is een automome maatregel uit het masterplan zuiveren. Voor de waterkwaliteit van de Amstel heeft amoveren het grootste effect en uit de variantenstudie Amstelveen blijkt het kosteneffectief (relatief kostenneutraal als exploitatiekosten worden meegenomen) om te amoveren ipv te renoveren. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Maatregelen in de landbouw om nutriëntenbelasting op de waterlichamen te beperken Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer en Waterdiepte op maat. De maatregel is relevant voor dit waterlichaam, omdat er veel agrarische polders naar de boezem afwateren. Precisiebemesting, bodemverbetering en routemaatregelen (bufferzone) zijn maatregelen die opgenomen zijn in agrarische beheerpakketten, investeringssubsidies. We gaan samen met de landbouw een nieuwe stimuleringsregeling voor bovenwettelijke maatregelen nutriënten faciliteren. Vrijwillige maatregelen worden geagendeerd door een watermakelaar en gepresenteerd in studieclubs. Op https://maatregelen-op-de-kaart.nmi-agro.nl/ kan per perceel worden opgezocht welke maatregelen het best uitvoerbaar en nuttigst zijn. Wij zijn regionaal uitgegaan van de goede landbouwpraktijk (GLP) in 2027. De uitworp uit een landbouwpolder neemt daardoor 10% af, voor een belangrijk deel door een grotere retentie door een grotere waterdiepte (meer slootonderhoud) en een afname van meststofverliezen. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP2 2015-2021 Omleiden / scheiden waterstromen Amstellandboezem Voorheen: Aanleggen schoonwaterkering Kromme Mijdrecht. Deze maatregel wordt genomen in de Amstellandboezem, maar heeft ook positief effect voor Vaarten Zevenhoven en Tussenboezem Vinkeveen a en b. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2020
SGBP2 2015-2021 Maatregelen landbouw om nutrientenbelasting op de waterlichamen te beperken fase 1 Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Amstellandboezem, Vaarten Ronde Hoep, Vaarten Groot Mijdrecht, Bovenkerkerpolder, Noorderlegmeer, Groot Wilnis-Vinkeveen Zuid, Polder Demmerik, Vaarten Zevenhoven, Tussenboezem Vinkeveen a, Mijdrechtse Bovenlanden, Vinkeveense Plassen, Vecht, Vaarten Vechtstreek, Stichts Ankeveense Plassen, Kortenhoefse Plassen, Spiegelplas, Wijde Blik, Loosdrechtse Plassen, Ster en Zodden, Maarsseveense Zodden en omgeving, Molenpolder en Westbroek. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
SGBP2 2015-2021 Beperken belasting glastuinbouw Deze maatregel wordt genomen in waterlichaam Vaarten Westeramstel, maar heeft ook positief effect voor de Amstellandboezem. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
esficon SGBP3 2021-2027 Handhaven op maximum vaarsnelheid Inclusief communicatie waarom deze maatregel belangrijk is voor de ecologische waterkwaliteit. Met provincie Noord-Holland wordt afgestemd hoe deze maatregel opgepakt kan worden. 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Natuurvriendelijke dijkreconstructie Deze maatregel komt uit het vastgestelde boezemplan. Gegarandeerd moet worden dat de ecologische waterkwaliteit bij ingrepen in de boezem niet verslechtert. De inrichting van de boezem bepaalt of deze geschikt is als leefmilieu voor flora en fauna en is daarmee van invloed op de ecologische waterkwaliteit. Voldoende ondiep oppervlak, een flauw talud en verbinding tussen land en water zijn van belang voor de ecologie. Ingrepen in de inrichting van de boezem kunnen er ook voor zorgen dat de waterkwaliteit verbetert. De schatting is dat 20% van de beschoeide oeverlengte aangepast kan worden. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Toepassen van ecologisch onderhoud en baggeren van hoofdwateren Natuurvriendelijk onderhouden is meestal gericht op niet méér verwijderen dan noodzakelijk is. Dus het beheer aanpassen als er te weinig vegetatie is zodat flora en fauna zich kunnen herstellen. Bij alle hoofdwatergangen van ons gebied is beoordeeld welke uitvoeringsmethode we kunnen en willen uitvoeren. In veel watergangen kan 25% van de vegetatie blijven staan. Vanwege ruimtegebrek is het niet mogelijk om overal 25% te sparen. Hoewel er voldoende emerse vegetatie aanwezig is in de Amstelland boezem kan deze maatregel de ecologie lokaal verder versterken en achteruitgang voorkomen. Bij het baggeren zal, waar mogelijk, de oevervegetatie worden gespaard en bij de uitvoering zal worden gekozen voor meer natuurvriendelijke technieken. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP2 2015-2021 Meeliften om luwe zones te creëren tbv vegetatie ontwikkeling Ombekend van omvang. Schatting enkele km hooguit. Wegens de functie scheepvaart, maar waarschijnlijk ook wegens het risico op opstuwing, kunnen luwstestructuren maar heel beperkt worden toegepast. Provincie Noord-Holland 2015-2021
SGBP2 2015-2021 Flexibel peilbeheer in boezemwateren Zou P-belasting kunnen verminderen en habitat voor emerse vegetatie creëren. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht niet
SGBP1 2009-2015 Onderzoeken toepassen andere oeverbeschoeiing Het uitvoeren van een onderzoek naar de mogelijkheden om die delen van de boezem, waar geen ruimte in het profiel is voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers, toch natuurvriendelijk in te richten. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
SGBP1 2009-2015 Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP2 2015-2021 Vispasseerbaar maken van sluizen, gemalen en stuwen - fase 2 Gemaal de Ruiter is niet passseerbaar en niet veilig voor vis. Passage wordt meegenomen bij de renovatie van het gemaal. Er komt geen 2-zijdige vispassage in één kunstwerk. De pomp wordt visveilig, passage richting de plassen wordt mogelijk gemaakt door een ecoschutprogramma op de sluis te zetten. Glasaal, en ook andere vissoorten kunnen dan via de sluis intrekken. Er moet hierbij wel opgelet worden dat het ecoschutprogramma niet tot een grotere hoeveelheid inlaatwater richting de plassen leidt. De optie viswering, oude pompen handhaven en migratie beide kanten op via de sluis, is afgevallen. Dit omdat een viswering die tevens zelfreinigend is, erg duur is en we er geen ervaring mee hebben. Dit is een complexe maatregel, want de oude pompen en gemaal De Ruiter zijn een monument. De oplossingsrichting is compacte nieuw veilige pompen onder maaiveld en leidingen om het gemaal heen door de grond. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
SGBP2 2015-2021 Vispasseerbaar maken sluizen, gemalen en stuwen - fase 1 Bij de Ipenslotersluis en Diemerdammersluis wordt een vissluis aangelegd. De Ipensloter en Diemerdammer zijn beiden 2-zijdig passeerbaar en er is een voorlopig vis-programma ingesteld. Zowel monitoring als finetunen van de instelling moeten nog plaats vinden. Huidige instelling vismigratrie programma bij mij niet bekend. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
SGBP1 2009-2015 Vispasseerbaar maken sluizen, gemalen en stuwen - fase 1 Bij de Ipenslotersluis en Diemerdammersluis wordt een vissluis aangelegd. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP3 2021-2027 Maatregelen in de landbouw om bestrijdingsmiddelen te beperken Deze maatregel is in uitvoering via het Programma agrarisch waterbeheer, LTO glaskracht, handhandhaving en Gemeentelijke RioleringPlannen. Deze maatregel is relevant voor dit waterlichaam omdat in dit gebied glastuinbouw aanwezig is en dit een van de belangrijkste bronnen van bestrijdingsmiddelen is. Het gaat hier om een instrumentele maatregel: handhaving van lozingen, lobbyen voor aanscherping normen gewasbeschermingsmiddelengebruik en verbreden teeltvrij zone (agrarisch waterbeheer). Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027

Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.

Toelichting en onderbouwing ESF-en, monitoring en begrenzing

Motivering KRW status en herbegrenzing

Een deel van het waterlichaam Vaarten Amsterdam past ecohydrologisch gezien beter bij dit waterlichaam. Het Noorder Amstelkanaal, Zuider Amstelkanaal komen erbij en gaan van Vaarten Amsterdam af.

Monitoringswensen

In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 3 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam. De Ipensloter en Diemerdammer zijn beiden 2-zijdig passeerbaar voor vis en er is een voorlopig vis-programma ingesteld. Zowel monitoring als finetunen van de instelling moeten nog plaats vinden. Huidige instelling vismigratrie programma is niet bekend.

Indicatoren ESF

ESF 1: Productiviteit

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

ESF 2 en 4: Lichtklimaat en waterdiepte

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

ESF 1 en 3: Waterbodem

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Brondata: water- en stoffenbalansen

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma`s fysisch-chemie en hydrobiologie

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma waterbodemchemie

EKR scores op alle deelmaatlatten in de tijd

Begrippenlijst en afkortingen

Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.

Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.

Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.

Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.

Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.

GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.

EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.

KRW Kaderrichtlijn water

N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).

EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.

Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.

Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.

Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.

Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.

GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.

SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.

Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.